Internet na Gore

Eerder verschenen in Intermediair nr. 44, 16 november 2000.

Met de spannendste verkiezingen ooit kwam afgelopen week een einde aan acht jaar democratische Clinton administratie (?). Een periode van opmerkelijke economische groei die gepaard ging met de dramatische opkomst van Internet. Al Gore profileerde zich over deze periode, en in de verkiezingscampagne nog explicieter, als de grote voorstander van de Amerikaanse "Internet"-maatschappij. Het heeft niet mogen baten. Noch economisch succes, noch Internet voorvechter lijkt een garantie te bieden op politiek succes. Aan Europese zijde werd zonder meer gehoopt dat Gore de verkiezingsstrijd zou winnen. En toch. In zekere zin is dit het beste wat Europa kon overkomen. Een verdere democratische administratie met Al Gore als president die zich zo uitdrukkelijk als Internet vice-president geprofileerd had, zou Europa nog verder marginaliseren in de richting van totale Amerikaanse dominantie op het gebied van Internet en zijn wereldwijde regulering. Nu, met een president die zich meer lijkt toe te spitsen op binnenlands beleid en meer aandacht heeft voor "oude economie", krijgt Europa mogelijk wat "breeding space" om een eigen beleid te ontwikkelen op het gebied van Internet-regulering en kan het dat straks in bilaterale onderhandelingen met de Verenigde Staten op een evenwichtigere manier verdedigen. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van een aantal Europese natuurlijke voordelen zoals die met name in de noordelijke, Scandinavische landen reeds vorm hebben gekregen. Ik doel hier met name op de sterkere vertrouwensrelatie tussen burger en overheid. De Verenigde Staten lijden sterk aan een overheidscomplex: de vrees voor een controlerende overheid die per definitie niets goed kan doen. Op Internet-gebied uit zich dit in een grote voorkeur, wat de niet-commerciŽle informatie-uitwisseling betreft, voor de zelf-regulerende capaciteiten van "cyber-liberty" (denk b.v. aan de klacht voor de Franse rechter tegen Yahoo.fr waarbij Yahoo als provider weigert toegang te verbieden tot racistische nazi-websites). Wat commerciŽle activiteiten betreft, uit zich dit in marktregulering en met name een steeds verdere uitbreiding en toepassing van intellectuele eigendomsrechten. Op beide gebieden zou Europa mijns inziens door andere accenten te leggen een eigen beleid kunnen ontwikkelen. Op het gebied van commerciŽle activiteiten zou Europa meer aandacht kunnen vestigen op de open, publieke toegang tot de onderliggende basis bronkennis zoals vervat in de softwarecodes. Voorstander zijn van een restrictiever beleid m.b.t. het octrooieren van software en het vastleggen van merknamen, zoals in het geval van persoonsgebonden domeinnamen. Met andere woorden: duidelijker dan nu het geval is, aangeven dat toe-eigening van intellectuele eigendom ook maatschappelijke kosten met zich meebrengt. Uiteindelijk zijn het de open Internet Protocol standaarden die nu de basis vormen van de markttransparantie en netwerkvoordelen van het world wide web. Wat niet-commerciŽle informatie-uitwisseling betreft, zou Europa meer voordelen uit het Internet kunnen halen door het huidige systeem van persoonsidentificatie zoals dat b.v. nu al in vele Scandinavische landen gebruikelijk is, voor heel Europa in te voeren. Daardoor zouden heel wat publieke functies die in Europa breder en ruimer verspreid zijn zoals sociale zekerheid, belastingen sneller en efficienter uitgevoerd kunnen worden. Vrijwillig uiteraard. De Europese burger heeft dan misschien nu weinig vertrouwen in de euro en in de eurocraten in Brussel, maar b.v. wel in de Europese rechtspraak en conventies zoals de rechten van de mens. Het nu en dan in hetongelijk stellen van nationale overheden vormt een goede anti-dosis voor nationale politici die graag de populistische kaart trekken. Juist dit vertrouwen vormt m.i. de basis voor een Europese regulering van Internet die straks mogelijk als toonbeeld zou kunnen dienen voor cyberspace.

Luc Soete